In de huidige garnalenhandel wordt benzoëzuur (E210) gebruikt om het gekookte product langdurig te kunnen conserveren. Dat geeft de typische zoutzure smaak aan de garnaal die anders is dan de zoetige smaak van de pure, net gekookte garnaal. Naast benzoëzuur wordt ook sorbinezuur (E200), de zouten kaliumsorbaat (E201) en natriumbenzoaat (E211) en natriummetabisulfiet (E223) gebruikt. Omdat sommige bewaarmiddelen beter werken in een zure omgeving, wordt vaak ook extra citroenzuur (EBBO) toegevoegd aan gepelde garnaal. Door deze bewaarmiddel kunnen garnalen tot twintig dagen lang bewaard worden. In behandelde noordzeegarnalen kan men tot 0,6 procent benzoëzuur terugvinden. Dat is de hoogst toegelaten hoeveelheid in de EU-additievenwetgeving.
Zowel gepelde als ongepelde garnalen worden verpakt voor verkoop. Het gaat meestal om een verpakking onder beschermde atmosfeer, ofwel een MAP (Modified Atmosphere Packaging), waarbij een halfhard doorzichtig schaaltje luchtdicht is afgesloten met een folie. Bij een MAP wordt de lucht in de verpakking vervangen door een combinatie van stikstof en koolfstofdioxide, zodat de zuurstof geëlimineerd wordt. Dit procedé zorgt samen met koeling voor een langere houdbaarheid.
De garnalenpelmachine maakt het mogelijk om dagverse garnalen zonder conserveermiddelen aan consumenten aan te bieden. Toch worden de garnalen die nu bij GPC Kant worden verwerkt voor een deel nog met benzoëzuur bewerkt. Zonder die bewerking zijn de garnalen immers maar een paar dagen houdbaar. Let op: ze zijn sowieso bewerkt met citroenzuur en melkzuur. Dat zijn immers ‘natuurlijke’ conserveermiddelen waarvan de EU toestaat dat producten na gebruik ervan toch als ‘onbewerkt’ verkocht worden.
Over vis en zeevruchten - waaronder garnalen - weten we dat ze veel eiwitten bevatten en in verhouding weinig calorieën en (verzadigde) vetten. Het feit dat er veel vitaminen en mineralen in te vinden zijn wordt gelinkt aan bepaalde gezondheidsvoordelen. Zo tonen recente studies aan dat de consumptie van vis en zeevruchten goed zou zijn om het risico op hartfalen, beroerte, obesitas en hoge bloeddruk te verminderen.
Garnalen hebben een hoog gehalte aan cholesterol vergeleken met andere vis en schaaldieren. Garnalen bevatten 124 milligram cholesterol per 100 gram. Studies hebben echter nog altijd niet kunnen aantonen dat voedsel met een hoog gehalte aan cholesterol een risicofactor zou zijn voor hart- en vaatziekten. Wel zeker is dat het meeste voedsel dat rijk is aan cholesterol ook rijk is aan verzadigde vetzuren. Op die manier houden cholesterolrijke voedingsmiddelen alsnog een verhoogd risico op hart- en vaatziekten in. De uitzonderingen op deze regel zijn eieren en garnalen, die wel een hoge hoeveelheid cholesterol bevatten, maar slechts een minimale hoeveelheid verzadigde vetten. Daarom kan worden aangenomen dat garnalen eten geen verhoogd risico op cardiovasculaire ziekten veroorzaakt.
Garnalen zijn rijk aan omega 3-vetzuren. Het eten van vis en zeevruchten met omega 3-vetzuren beschermt tegen het risico op cardiovasculaire ziekten, beroerten en diabetes. Maar vis- en zeevruchten bevatten potentieel ook zware metalen waarbij kwik de belangrijkste boosdoener is. De aanwezigheid van kwik kan de heilzame werking van de vetzuren tenietdoen omdat het cardiovasculaire problemen veroorzaakt en de neurologische ontwikkeling belemmert. Een verhoogd kwikgehalte in vis komt door kwik dat in de atmosfeer vrijkomt door verbranding van fossiele brandstoffen, mijnbouw en andere industrie en afvalverbranding.
Garnalen behoren tot de categorie van vis en zeevruchten die de laagste dosis kwik bevatten naast zalm, meerval en koolvis. Dat heeft te maken met hun geringe grootte en hun korte levensduur: grotere en langer levende vissen bevatten vaak het meeste kwik. Garnalen hebben dus de voordelen van een hoge dosis onverzadigde vetzuren zonder de nadelen van een hoog kwikgehalte.
Astaxanthine is een sterke kleurstof die garnalen, maar ook flamingo’s en zalm hun rode kleur geeft. Het komt voor in onder meer garnalen, zalm, forel, zeebrasem, kreeft en viseitjes, maar ook in microalgen. Bij de soorten waarin het voorkomt heeft het belangrijke biologische functies, zoals beschermen tegen uv-stralen en het reguleren van immuniteitsreacties, pigmentatie en voortplanting. Voor de mens is astaxanthine een krachtig antioxidant. Onderzoek toont dat het ook bij mensen zou helpen bij de bescherming tegen uv-stralen, dat het ontstekingswerend kan werken, kanker zou kunnen voorkomen en een positief effect zou hebben op de immuniteit. Deze gezondheidsvoordelen worden ondersteund door data die veelbelovend zijn in klinische studies, maar de therapeutische effectiviteit bij mensen moet nog bewezen worden.
Een recente studie bewijst dat de noordzeegarnaal plastics opneemt via zijn dieet. In 63 procent van de onderzochte wilde garnalen uit de Kanaalzone tussen Frankrijk, België, Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn microplastics teruggevonden. Het gaat voornamelijk om synthetische vezels, wat overeenkomt met de resultaten voor studies bij andere schaaldieren. Het zijn ook de meest voorkomende microplastics in het Belgische deel van de Noordzee.
De studie toonde aan dat de plastic partikels niet voorkomen in het spierweefsel van de staart - het eetbare deel van de garnaal -, maar wel in het spijsverteringskanaal, het hoofd en de kieuwen. Het hoofd en de kieuwen worden verwijderd bij het pellen van de garnalen, maar het spijsverteringskanaal wordt niet altijd volledig verwijderd bij deze handeling, gezien de geringe grootte van de noordzeegarnaal. Het is dus mogelijk dat de microplastics uit het spijsverteringskanaal op deze manier door mensen worden opgenomen tijdens het eten van garnalen.
Gebaseerd op het feit dat een gemiddelde Belg 500 gram garnalen per jaar consumeert en de veronderstelling dat 90 procent van de microplastics worden verwijderd bij het pellen, schatten de auteurs van de studie dat een gemiddelde Belgische consument vijftien tot 175 fragmentjes plastic opneemt door de consumptie van noordzeegarnalen.
De noordzeegarnaal staat laag in de voedselketen, wat betekent dat de aanwezigheid van microplastics in deze soort ook de roofdieren die hoger in de keten staan bedreigen. Hoe meer noordzeegarnalen ze eten, hoe groter het risico op een accumulatie van microplastics.