Deze website gebruikt cookies. Ik ga akkoord met de privacy policy
OK
Milieu

‘Palmolievrij’ is nonsens

Waaraan denk je als je ‘palmolie’ hoort? Grote kans dat het ‘ontbossing’, ‘landroof’ of ‘dwangarbeid’ is. Toch helpt het niet om palmolie uit je dieet te schrappen.

Melissa Vanderheyden

Wetenschapsjournalist met een master in de evolutie- en gedragsbiologie.

Palmolie sleept niet meteen de populariteitsprijs in de wacht. Het product scoort op ecologisch én sociaal vlak slechte punten. Topproducenten Indonesië en Maleisië vervingen de voorbije decennia massa’s oerwoud door monotone velden met oliepalm. Op het eiland Borneo alleen al palmen plantages voor houtpulp en palmolie zo’n zeven miljoen hectare in van wat veertig jaar geleden nog jungle was.

Met hakbijlen en vuur wordt het bos geruimd, orang-oetans en andere bosbewoners slaan op de vlucht. Wie te traag is, gaat in vlammen op. Veel van de begeerde gronden bevatten veen. Dat is opgebouwd uit water en millennia-oude lagen van plantenresten. In die resten blijft de koolstof, die de planten ooit via fotosynthese opnamen, als CO2 opgeslagen. Droogt een veengrond uit of slaat de vlam erin – droog veen brandt als benzine – dan komt die opgeslagen koolstof weer vrij. Het resultaat: een CO2-bom die ons veranderende klimaat een extra duwtje in de foute richting geeft. Dat gebeurde twee jaar geleden nog in Indonesië: veenbranden braakten evenveel broeikasgassen uit als de Amerikaanse economie over eenzelfde periode.

Bovendien bedreigt de rook de gezondheid van omwonenden, brandweerlui en boeren. In het fijnstof, uitgestoten door veenbranden, registreerden wetenschappers hoge concentraties van de kankerverwekkende metalen chroom, nikkel en cadmium. Gemeenschappen die in het bos leven, zien naast hun gezondheid ook hun voorziening van  voedsel, schoon drinkwater en medicinale planten bedreigd. Velen verzetten zich dan ook hevig tegen de komst van de oliepalm.

"De oliepalm levert meer op dan andere oliegewassen, zoals mais en koolzaad"

Nee tegen palmolie

Je komt al snel tot de slotsom dat je palmolie het best uit je leven en de wereld bant. Activisten en groene goeroes doen het voor. Van ‘no palm oil’-logo’s op cosmeticaproducten en chocopasta tot een palmolieloze supermarkt: het kan ook zonder palmolie, luidt de boodschap. Maar is dat wel zo?

De oliepalm is enorm productief. Hij levert meer olie op dan andere gewassen, zoals mais en koolzaad. De oliepalm slaat ook meer CO2 op dan die gewassen. ‘Nee’ zeggen tegen palmolie betekent dat je op zoek moet naar een alternatief. En de alternatieven palmen een veel grotere landoppervlakte in’, zegt Erik Meijaard. Meijaard komt uit Nederland, maar ruilde zijn thuisland in voor de tropen. Hij werkte 25 jaar in het natuurbeschermingsonderzoek in Indonesië en is voorzitter van de Oil Palm Taskforce van de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN). De groepering, opgericht in 2017, zal de stand van zaken in de palmolie-industrie analyseren, bepalen hoe die kan verduurzamen en advies geven aan zowel de IUCN als de industrie.

Er zijn een aantal manieren om oliepalmplantages duurzamer te maken. Je kan telen op zogeheten imperatagraslanden, die talrijk aanwezig zijn in Indonesië en geen risico’s op vrijkomend CO2 inhouden (zie ook ‘Duurzame palmolie’). Of je kan toch op bestaande veengrond werken, maar die grond dan wel beter beschermen.

Het Sumatraanse dorpje Dosan duikt nu en dan op in de media als hét voorbeeld van duurzame productie. In de regio van het dorp arriveerde de oliepalm in 2003, gestimuleerd door een regeringsprogramma om de armoede te bestrijden. De dorpelingen legden het veen droog om plaats te maken voor de palmen. Het was het startschot voor een reeks branden. Zes jaar later, na de zoveelste veenbrand, besloten ze het roer om te gooien. Sindsdien beschermen ze het veen door het waterniveau in de bodem met dammen op peil te houden. Met succes: sinds 2012 blijft het vuur er weg.

Ook op enkele plantages in West-Kalimantan, waar Meijaard onderzoek uitvoert, gaat bijzondere aandacht uit naar het veengebied. Dat heeft niet alleen ecologische, maar ook financiële voordelen. ‘Bedrijven die het veen beschermen, doen het beter’, zegt Meijaard.

Toch komt duurzame palmolie maar moeizaam van de grond. Producenten weigeren om eenvoudige veranderingen zoals veenbescherming op grote schaal in te voeren. Een studie door het Center for International Forestry Research, die dit jaar verscheen, toont dat producenten met elkaar overhoop liggen over de maatregelen tegen veenbranden. 

Wetenschappers vroegen verschillende belanghebbenden binnen de industrie naar de maatregelen. De stellingen die gemiddeld als ‘meest effectief’ scoorden, zaaiden tegelijk de meeste verdeeldheid. Sommige aandeelhouders vonden maatregelen als ‘de veengrond opnieuw onder water zetten’ en ‘de landbouw niet meer uitbreiden op veen’ juist nauwelijks doeltreffend. ‘Alle partijen hebben hun eigen belangen en eisen. Soms botsen die. De veranderingen zijn lastig voor wie investeerde in de landbouw op een veengrond, zowel voor grote bedrijven als kleine boeren. Opdat telers die maatregelen in de toekomst vaker toepassen, moet je ze stimuleren met een combinatie van subsidies, belastingvoordelen, beperkingen en sancties’, verduidelijkt onderzoeksleider Rachel Carmenta.

"Op sommige gecertificeerde plantages troffen rapporteurs sociale uitbuiting, dwang- en kinderarbeid aan"

Gecertificeerde dwangarbeid

De Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO) doet een dappere poging om de industrie te verduurzamen. De organisatie wil met de belanghebbenden in dialoog treden. De RSPO werd in 2004 mee opgericht door het World Wide Fund for Nature (WWF). Ze stelt principes en criteria op waaraan een producent moet voldoen, wil hij zijn palmolie als duurzaam certificeren (zie ook ‘Welke criteria hanteert de RSPO?’). Hij moet bijvoorbeeld aantonen dat hij het recht heeft om zijn grond te bewerken en mag vuur niet of nauwelijks gebruiken. Vandaag is 19 procent van alle palmolie gecertificeerd door de RSPO.

Hoewel dat allemaal goed klinkt, krijgt de organisatie bakken kritiek over zich heen. Critici, waaronder Greenpeace, menen dat de voorwaarden niet strikt genoeg zijn. Ze zouden te veel ruimte laten voor interpretatie en daarom regelmatig worden overtreden. ‘De criteria van de RSPO hebben weinig gedaan aan de lage lonen en veiligheid’, stelt Denis Ruysschaert, politiek ecoloog aan de universiteit van Toulouse, in een rapport. Een voorbeeld vinden is niet moeilijk. Eind 2016 trok Amnesty International aan de alarmbel. Op sommige plantages van Wilmar, ‘s werelds grootste palmoliebedrijf, troffen de rapporteurs sociale uitbuiting, dwang- en kinderarbeid aan. Wilmar is nochtans lid van de RSPO.

Toch is de RSPO meer dan een druppel op een hete plaat. Op ecologisch vlak is er een langzame maar positieve evolutie aan de gang. ‘Volgens de richtlijnen van de RSPO mogen bedrijven geen plantages aanleggen op veengrond en gebieden met een hoge natuurwaarde mogen ze niet ontbossen, zegt Meijaard. ‘Na een vergelijkende studie heb ik vastgesteld dat RSPO-concessies nog altijd ontbossen, maar minder dan bedrijven zonder het certificaat. Het is niet perfect, maar wel beter. De RSPO werkt eraan om zichzelf te verbeteren.’

Daar is ook Reinout Impens het mee eens. Impens werkt als onderzoeker voor Siat, een bedrijf dat rubber en palmolie produceert, en is verbonden aan de vakgroep Plantaardige Productie van de UGent. Zijn proeven vinden plaats op een palmolieplantage in Nigeria. ‘Het is één ding dat de consument duurzame palmolie wil, of producten met helemaal geen palmolie, maar palmolie blijft de meest verhandelde olie. De voedingsindustrie kan niet zonder. Als die aan de eisen van de consument wil voldoen, is zij verplicht de sector te verduurzamen. Certificering is dan een goede manier om de spelers samen te brengen.’ 

‘Palmolievrij’ verkoopt

Vooralsnog is de vraag voor duurzame palmolie beperkt. ‘De grote importeurs, zoals China en India, liggen niet wakker van de vraag of hun olie wel of niet gecertificeerd is’, zegt Impens. ‘De westerse markt vraagt wel naar duurzame palmolie, maar dan nog blijft het aanbod beperkt. Tien procent van de olie is bestemd voor Europa. Als 20 procent van alle olie gecertificeerd is, bestaat voor ongeveer de helft daarvan geen markt.’

En ook binnen Europa is er nog groeipotentieel. Zo’n 36 procent van de palmolie die Europa importeert, is duurzaam. Streven naar 100 procent is noodzakelijk, want zonder een goede afzetmarkt mist de producent de financiële stimulans voor investeringen in duurzame methoden.

De palmolie in Nederland en België is wel grotendeels gecertificeerd. Tachtig procent van de olie in Belgische producten draagt de stempel van de RSPO: duurzaam of in elk geval op weg ernaar. In Nederland gaat het om 90 procent van de voedingsmiddelen. Die cijfers verrassen, want voedingsproducenten pronken zelden met het keurmerk. Jelmen Haaze, van de Belgische Alliantie voor Duurzame Palmolie (BASP), legt uit: ‘Soms staat er een logo op de verpakking, of vermeldt de ingrediëntenlijst ‘duurzame palmolie’. De leden van de BASP gebruiken allemaal duurzame palmolie, maar ze lopen niet te koop met hun inspanningen. Ook zien ze hoe anderen succes oogsten met de vermelding ‘no palm oil’, die geen onderscheid maakt tussen duurzaam of niet. Zelfs onze meest vooruitstrevende leden vinden het daarom een risico om palmolie te adverteren, ook al is die duurzaam.’

Volgens Impens geven sommige voedingsbedrijven gemengde signalen. ‘Sommige tonen interesse in duurzame palmolie, maar verkopen ook producten waar nadrukkelijk op staat dat er geen palmolie in verwerkt is. Dat werkt het hele proces tegen.’

‘We hebben dringend behoefte aan een wetenschappelijk en genuanceerd debat’, besluit Haaze. Dat dat klopt, blijkt ook uit een Australische enquête. Die stelde vast dat 5 procent van de ondervraagden dacht dat men palmolie perst uit de lichaamsdelen van orang-oetans.

Wat de toekomst brengt voor de oliepalm, is koffiedik kijken. Het verhaal is te complex voor grote conclusies en spectaculaire voorspellingen. Ondanks de sociale conflicten helpt palmolie wel degelijk in de strijd tegen armoede. Maar lokale gemeenschappen zijn enkel gebaat bij nieuwe plantages als die hen daadwerkelijk in dienst nemen en een rechtvaardig loon uitkeren. Sommige bedrijven die in het verleden vernieling brachten, doen vandaag hun best om te veranderen en de bossen te behouden. Zo ook het Indonesische bedrijf PT KAL, dat een honderdvijftigtal orang-oetans beschermt op zijn plantage. Voor Meijaard is samenwerking met de palmolieproducenten cruciaal. ‘Het verhaal is nooit zwart-wit. Er is ook grijs. In die grijze zone probeer ik iets op te bouwen.

Reactie van de RSPO

‘De RSPO erkent de tekortkomingen in het certificatie- en controlesysteem’, reageert Danielle Morley, European Director of Outreach & Engagement bij de RSPO. ‘We werken voortdurend aan onze standaarden. Ngo’s die problemen aankaarten, zijn een bondgenoot in dat proces. Een zwak lokaal bestuur, slechte politie en gaten in de wetgeving verergeren het risico op misbruik van arbeiders. Momenteel testen we een samenwerking met regionale, provinciale en nationale autoriteiten. Die strategie is veelbelovend, maar vereist een sterkere samenwerking tussen alle betrokken partijen.’ 

Morley bevestigt dat veel kleine boeren nog geen lid zijn van de RSPO, maar benadrukt dat de organisatie hen met verschillende initiatieven wil aantrekken en ondersteunen. ‘Met het Smallholder Support Fund kunnen kleine boeren het certificaat krijgen, zonder de hoge kost.

Comments

Draag bij en deel hier je kennis & ervaring. Of stel een vraag.

Bronvermelding