Deze website gebruikt cookies. Ik ga akkoord met de privacy policy
OK
Milieu

De kip of de planeet: de ethische keuze achter uw ei

Niemand blijft onbewogen bij het zien van een legbatterij. Wie echter een bijdrage aan het dierenwelzijn denkt te doen door bio-eieren te kopen, zet onbewust een grotere ecologische voetafdruk op de wereld. En is een kip écht beter af met vrije uitloop? Voor één keer laten we het debat over de kip en het ei achterwege en stellen we ons de vraag: kiezen we voor de kip of voor de planeet? En is die keuze wel zo eenvoudig?

Matthieu Van Steenkiste

Journalist - Schrijft over voeding, muziek en film.

Tragisch zijn ze, de beelden van kippen die in een veel te kleine kooi met drie voor zich uit zitten te staren. Elke dag een ei leggen, liefst niet te veel eten, en voortdurend dat felle tl-licht boven de hoofden. Het is van een mistroostigheid die harten breekt, en dus gingen er stemmen op om dergelijke kooisystemen te verbieden. Gevolg? In 1999 besloot de EU dergelijke kippenhuisvesting vanaf 2012 te verbieden. Case closed en iedereen tevreden, dus? Niet helemaal. Nu blijkt dat men de zaken daarmee alleen maar extra complex heeft gemaakt. En u daar, met uw bio-eierenobsessie, bent zelfs een regelrecht probleem voor het milieu.

Ethisch dilemma


Dat zit zo: zeventig procent van de productiekost van een ei bestaat uit het voer dat de kip krijgt, zo berekende wijlen professor Van Es van Wageningen Universiteit al in 1975. En een kip die vrij mag uitlopen en naar hartenlust kan scharrelen, zal meer verbruiken. Vanuit milieu-oogmerk is dat vooral een belasting. Kippen eten immers krachtvoer vol soja uit Brazilië, dat niet alleen naar België en Nederland moet worden getransporteerd, maar waarvoor ook regenwoud sneuvelt.

Nog zoiets: bij vrije uitloopsystemen kunnen kippen hun uitwerpselen overal achterlaten, zodat ook de uitstoot aan ammoniak toeneemt. En dan zwijgen we nog over de hoge stofconcentraties in de lucht, die ook voor werknemers weinig aangenaam zijn. Ja, die kippen mogen dan gedijen bij die vrije uitloop, het zijn wel – excusez le mot – luxepaarden die zich allesbehalve bekommeren om het milieu en ons opzadelen met een ethisch dilemma. Wat trekken we ons harder aan: of de kip gelukkig is, of dat de aarde een beetje gezond blijft?

“Ik vind het belangrijk dat dit dilemma geïdentificeerd wordt, én gecommuniceerd. Want het wordt al te vaak genegeerd”, legt professor Stef Aerts (ethicus en bio-ingenieur aan de Odisee hogeschool) de vinger op de wonde. “Men doet alsof een switch naar extensievere systemen zoals biologische teelt alles gaat oplossen omdat dat ‘goed is voor het klimaat’, maar dat is niet zo. Als je dieren in draadkooitjes op elkaar stapelt, heb je alles veel meer onder controle dan wanneer je diezelfde dieren gewoon vrij laat rondlopen. En controle is in deze echt wel efficiënter. Je moet denken: als je uitgaat van een gelijke gewenste output eieren, dan geldt dat hoe meer je alles onder controle houdt, hoe kleiner je ecologische afdruk is.”

Dat brengt ons weer bij de vraag: wat moet er primeren? Buyse zucht. “Dat is natuurlijk een frustrerend dilemma. Ik denk dat we moeten proberen een middenweg te vinden, maar voor mij is de vrije uitloop eigenlijk geen optie meer, zowel wat duurzaamheid als wat dierenwelzijn betreft. Je moet er immers rekening mee houden dat de dieren het ook in vrije uitloopsystemen vaak moeilijk hebben. Een kip is een sociaal dier, dat zich meteen aan een pikorde conformeert. In grote groepen zoals in die grote open rennen, komt het voortdurend vreemde dieren tegen, tegenover het zich niet kan verhouden, met alle vormen van agressie tot gevolg. Als dertig procent van de dieren letsels van kannibalisme vertonen, heb je geen goed systeem. Het verplicht je om over te gaan tot het ontbekken van de dieren, wat pijnlijk kan zijn als het niet goed wordt uitgevoerd. In batterijsystemen klopt het dat dieren minder bewegingsvrijheid hebben, maar door de pikorde valt dat geweld wel weg. Je moet dus voorzichtig zijn met uitspraken over dierenwelzijn. Het verschilt van parameter tot parameter. En als je het gehalte stresshormoon in een dier bekijkt, dan komen legbatterijkippen er zeker niet slechter uit.”

Tussenoplossingen gezocht

Maar er is meer. “Wat met de mest waar de dieren mee in aanraking

komen?”, vraagt Johan Buyse, hoogleraar aan de faculteit
Bio-ingenieurswetenschappen van de KU Leuven, zich af. “En wat met
ziektes als coccidiose of vogelgriep? Dat het risico op besmettingen
daardoor toeneemt moet je ook meenemen. Je kunt niet een of twee
parameters in ogenschouw nemen, want dan eindig je met verkeerde
beslissingen.”

Is de biologische teelt, waarbij kippen nog meer ruimte krijgen, en minstens acht uur per dag buiten moeten, dan zinloos? Aerts knikt. “Het is misschien erg om te zeggen, maar biologische eierteelt is niet de meest verstandige optie. Natuurlijk ga je vooruit qua dierenwelzijn en op het vlak van pesticidengebruik, maar als je niets doet aan het niveau van consumptie ga je geweldig achteruit qua uitstoot.”

“Zinloos zou ik het niet noemen”, zegt Buyse, “maar het was zeker te kort door de bocht om legbatterijen te verbieden. Men heeft toen op basis van enkele studies rond bewegingsvrijheid beslist dat te doen, terwijl er toch mogelijkheden zijn om tot tussenoplossingen te komen. Je kunt de dieren bijvoorbeeld in plaats van per drie in grotere entiteiten van tien of vijftien dieren steken op een grotere oppervlakte, zodat je faciliteiten kunt voorzien als een zitstok, een scharrelbak, enzoverder. Dat soort verrijkte kooien lijken me een goed compromis.”

“Legbatterijen simpelweg verbieden was veel te kort door de bocht. Verrijkte kooien waarbij de dieren per tien of vijftien op een grotere oppervlakte zitten, zodat je faciliteiten zoals een zitstok en een scharrelbak kunt voorzien, lijken me een goed compromis”

Individueel dierenwelzijn

“We moeten wegblijven van die intensieve kooisystemen”, zegt Aerts dan weer, “maar dat wil niet zeggen dat de intensiteit wat het aantal dieren per bedrijf betreft moet zakken. Of er nu vijf, tien of honderdduizend dieren per bedrijf zijn, het maakt voor die kip niet uit hoeveel collega's die heeft. Dat gaat voor mensen ook op; als je je slecht voelt in een kleine KMO waar maar tien man werkt voel je je even slecht als in een groot bedrijf. En zo is ook dierenwelzijn een individueel gegeven. Wat mij betreft mogen er per bedrijf dus evenveel dieren blijven zitten. Het gaat me veel meer om het bestaan van veel dieren op een kleine oppervlakte.”

“We moeten dus kiezen voor een soort beperkte vrije uitloop, in het volle besef dat die dus potentieel grotere ecologische implicaties heeft dan het kooisysteem. Het enige wat je dan kunt, is proberen die zo minimaal mogelijk te houden. Je kunt bijvoorbeeld proberen de mest-emissies zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld, of te kijken naar het voer dat je de dieren geeft. Want dat mag dan buiten het bedrijf worden geproduceerd, ook dat speelt zijn rol in het berekenen van de voetafdruk. Als je geen industrieel voer gaat gebruiken, maar bijvoorbeeld reststromen, dan zijn emissies op het bedrijf zelf niet eens zo'n probleem, want je moet al de voetafdruk van het kippenvoer niet meenemen. Het is dus een goed idee om eerder nevenstromen in te zetten voor voeding. Dat heet upcycling, en daar is veehouderij perfect geschikt voor: om dingen die wij niet meer kunnen of willen consumeren om te zetten in dingen die voor ons wel hoogwaardige voedingsstoffen zijn, zoals vlees, melk en eieren. Als je dat kunt doen, dan heb je op het einde van de rit ecologische winst, want je hebt voedsel en grond dat je normaal niet had kunnen benutten toch in voedsel omgezet.”

De ideale eierproductie


Toeval of niet, in Nederland is het kippenbedrijf Kipster vanuit dergelijke principes vertrokken. “Eigenlijk is de basisvraag waarom we überhaupt dierlijke producten zijn gaan produceren”, zegt zaakvoerder Ruud Zanders. “Het is onzinnig om voedsel dat mensen kunnen eten aan dieren te geven. Men is dieren gaan houden omdat men zogenaamde marginale gronden zoals grasland had waarop geen akkerbouw mogelijk was. Als je daar koeien, geiten of schapen op houdt, heb je winst want zet het land om in voor mensen consumeerbaar vlees en melk. Hetzelfde met kippen; als je die voedert met restvoedsel dat niet (meer) geschikt is voor mensen, dan levert jou dat eieren en vlees in de plaats op. Het zijn principes die we samen met Wageningen Universiteit uitdachten, maar eigenlijk is het precies hoe mijn grootouders met de dingen omgingen.”

En dus vertrok Zanders van een wit blad om de ideale eierproductie uit te werken. “We hebben ons bevraagd bij tal van organisaties welke regels rond vrije uitloop of bio onzinnig zijn en welke nuttig voor het dier, en hoe we dus een systeem kunnen bouwen waarin een kip zich zo goed mogelijk voelt. Bleek dat kippen helemaal niet zo veel oppervlakte nodig hebben, op voorwaarde dat je met een paar zaken rekening houdt. We hebben de dierenbescherming gevraagd hoeveel buitenuitloop ze echt nodig hebben en dat was ‘aan beide kanten vijf meter van onze boerderij’. Dat vonden we zelf wat weinig, dus hebben we onze buitentuin aan beide kanten tien meter gemaakt. Daar hoort dan wel bij dat je minder dieren per vierkante gaat houden en dat we ook een grote binnentuin hebben aangelegd, waar we rekening hielden met de bedenking dat een kip van daglicht houdt, en een hekel heeft aan regen. Dus hebben we alles lichtdoorlatend overdekt, zodat ze altijd in het daglicht zit, ook als het regent, en hebben we er een soort bos van proberen te maken; een soort natuurlijke omgeving voor hen, want eigenlijk zijn het bosdieren die van beschutting houden

​ Landbouw- in plaats van handelsbeleid

Vervolgens kwam het milieuaspect. “We willen zo weinig mogelijk impact hebben. Dan gaat het onder andere over hoe je je energie opwekt: via zonnepanelen dus. Het volgende was het voedsel van de dieren bekijken, want daar zit het grootste stuk voetafdruk van een ei. Door te besluiten alleen reststroomvoer aan onze dieren te geven, zetten we al een grote stap richting klimaatneutraal. En dat is natuurlijk ook onafhankelijk van dierenwelzijn, dit zou iedereen kunnen doen. Het is een verkeerde perceptie dat iets doen voor het milieu ten koste gaat van dierenwelzijn. Wat wij doen met dat voer zou iemand die kooikippen houdt ook kunnen doen.”

Arts knikt instemmend bij het verhaal van Zanders. “Ik denk dat Kipster op het goeie spoor zit, en dat ook de rundhouderij veel van hun verhaal kan leren. Al moet de consument natuurlijk ook willen volgen en afstappen van het idee dat hij gewoon de goedkoopste eieren wil kopen. De redenering dat enkel de consument het moet oplossen door geen dierlijke producten meer te eten, volg ik niet. Ik zie geen enkel probleem in het consumeren van dierlijke producten zolang we kippen geen duur graan voor menselijke consumptie geven. Als we voeden op basis van reststromen is er geen enkel probleem.”

“Natuurlijk”, zo beseft de ethicus ook, “gaat dat voorlopig enkel nog maar op in nichemarkten, als mensen wat meer willen betalen. Om dit op grote schaal te installeren, zullen we iets aan het landbouwbeleid moeten doen. We moeten de Europese markt afschermen voor wie goedkoper naar hier kan exporteren omdat men zich niet aan onze hoge standaarden houdt. Van mij mag elk product binnen, zolang het maar aan onze productie-eisen voldoet. Het probleem is immers dat we het landbouwbeleid hebben losgelaten; het is een handelsbeleid geworden. We hebben landbouwproducten de laatste twintig jaar aan de vrije markt overgeleverd en daar heb ik een groot probleem mee. We hebben opnieuw een landbouwbeleid die naam waardig nodig, zoals in de jaren tachtig en negentig, maar dan zonder de stommiteiten als melkplassen en boterbergen die er toen ook inzaten. We moeten onze markten opnieuw kunnen afschermen van buitenlandse export die op onze markt wordt gedumpt, zodat we onze milieu-en dierenwelzijnregels kunnen opleggen.”

Comments

Draag bij en deel hier je kennis & ervaring. Of stel een vraag.

Bronvermelding